John D. Rockefeller Sr., de man die naar men zegt aan de basis lag van het monopolie van de moderne allopathische geneeskunde, ten koste van alle alternatieven, had een homeopaat als dokter. Bovendien was Sr. ook een grote fan van osteopathie, een ander alternatief dat in zijn tijd zeer populair was (allopathische artsen waren in die tijd in feite een kleine minderheid).
Rockefeller Sr. had zijn homeopathische bondgenoot - een dokter genaamd Hamilton F. Biggar - ontmoet in de jaren zeventig van de 19de eeuw. Biggar was een vrij populaire arts (voordat Rockefeller's handlangers Frederik Gates en de gebroeders-Flexner hun werk hadden voltooid mochten homeopaten zich nog artsen noemen) en had enkele bekende Amerikaanse politici als patiënt, zoals Mark Hanna en President William McKinley (tenminste voor hij president was). Sr. was zelfs vice-president en beheerder van Biggar's hospitaal.
Schrijft Rockefeller's biograaf Ron Chernow:
"It was a striking paradox that the philanthropist who would create the Rockefeller Institute for Medical Research and did more than anyone else to advance scientific medicine in the twentieth century was emotionally wedded to traditional remedies. Rockefeller sometimes smoked mullein leaves in a clay pipe to heal respiratory problems and never lost a residual suspicion of medical doctors."
En:
"When exponents of more advanced medicine—spurred on, ironically, by Rockefeller philanthropy—tried to enact legislation to bar osteopaths, Rockefeller rushed to the osteopaths’ defense. “I believe in osteopathy,” he instructed his secretary, “and if any of our people at 26 Broadway can say or do anything to aid the osteopaths at this time of their struggle, I should appreciate it.” A visit to an osteopath occasioned one of Rockefeller’s most celebrated witticisms. As the osteopath cracked his vertebrae, Rockefeller said wryly, “Listen to that, doctor. They say I control all the oil in the country and I haven’t enough even to oil my own joints.”
Forrest Maready van zijn kant vertelt hoe John D. Rockefeller zijn digestieve problemen oploste met een een dieet bestaande uit rauwe melk, wat regelrecht inging tegen de opkomende theorieën van Pasteur en Koch dat de bacteriën in melk de oorzaak konden zijn van ziekten. Pasteur en Koch werden bij hun onderzoek en het verkondigen van hun theoriën maar dan een handje geholpen door het Rockefeller Instituut, geleid door Sr.'s zoon, John D. Rockefeller Jr.
Maready:
"On a mild spring evening in 1912, John D. Rockefeller hosted a dinner at Forest Hill. Among the guests were industrial leaders, philanthropists, and medical professionals. As servants presented the elaborate meal, Rockefeller raised not a wine glass but a crystal tumbler filled with raw milk. The gesture, a public acknowledgment of the treatment that had restored his vitality when conventional approaches had failed. The assembled guests—among America’s wealthiest and most powerful citizens—still had access to farm-fresh, raw milk from carefully tended herds. The milk that restored America’s richest man and one of its most influential writers became increasingly inaccessible to ordinary citizens. The regulatory apparatus established to protect public health would paradoxically restrict access to milk in its most nutritionally complete form. The path toward mandatory pasteurization grew increasingly clear, threatening the therapy that had restored two of America’s most prominent figures."
Was de houding van Rockefeller Sr. werkelijk zo paradoxaal als Chernow wil doen geloven? Ik dacht het niet. Zoals Chernow zelf beschrijft, begon Sr. met zijn filantropische activiteiten vooral om zijn imago te verbeteren. De concrete uitwerking ervan liet hij over aan zijn zoon, de gebroeders Abraham en Simon Flexner (zie het Flexner-rapport), en vooral Frederick T. Gates.
Deze laatste had geen liefde over voor Biggar. Integendeel, in wat men kan beschouwen als een van de eerste lastercampagnes tegen alternatieve geneeswijzen, begon Gates (geen relatie met die andere Gates, van dat ander instituut, althans niet voor zo bekend) Biggar uit te maken voor een fossiel en een gek. Samuel Hahnemann, de grondlegger van de homeopatie, werd door Gates belasterd als "a natural fool turned lunatic".
Biggar was namelijk een belangrijk obstakel voor Gates' poging om van de allopathische geneeskunde de standaard te maken, en alle andere vormen uit te roeien. Biggar maakte immers bezwaar tegen de afschuwelijke proeven op dieren. Daarnaast had hij Sr. er bijna ervan overtuigd om geen geld te geven aan de heropbouw van Johns Hopkins Medische School nadat het was afgebrand in 1904. Gates schreef diverse negatieve memo's over Biggar aan Rockefeller Sr. Deze memo's blijven echter onbeantwoord.
Uit dit alles kan mijn inziens duidelijk worden afgeleid dat Gates, de Flexners en zelfs zijn eigen zoon, met het geld van hun weldoener, bepaalde dingen deden die regelrecht tegen diens eigen inzichten ingingen. Maar zijn image werd er een stuk beter van, dus lied die maar begaan. Maar dat is dan ook het enige wat je Sr. kan verwijten. Al de rest was het werk van zijn acolieten die zelfs niet nalieten om hun weldoener te bedriegen voor hun eigen kwaadaardige plannen.