Rockefeller, Kennedy en hoe de moord van JFK ook vandaag nog uiterst relevant is

zo, 02/05/2021 - 14:53
0 comments

Op 22 november 1963 werd John F. Kennedy vermoord. Ondanks verwoede pogingen van sommige deskundigen om de onzinnige theorieën van de Warren Commissie dat Oswald een "lone nut" was te verdedigen, blijft de stelling dat JFK wel degelijk het slachtoffer was van een complot stevig overeind.

Maar de vraag wie dan uiteindelijk de opdrachtgever was, blijft tot op vandaag nog onbeantwoord. De lijst is eindeloos: de CIA, De Israeli's, Castro, J. Edgar Hoover, Allen Dulles, Lyndon B. Johnson, de maffia....Recent heeft Richard James DeSocio daar echter nog een naam aan toegevoegd: die van Nelson Rockefeller namelijk.

Richard James DeSocio merkt in zijn boek op dat de naam van Nelson Rockefeller zelfs viel onmiddellijk na de moord maar dat dit al gauw naar het rijk der fabelen werd verwezen.

Het is niet de bedoeling hier deze vraag te beantwoorden. Het blijft echter een integrerend gegeven dat Kennedy en de Rockefeller's in feite op voet van oorlog leefden, en dat de dood van JFK de Rockefellers en hun belangen geenszins slecht uitkwam. In wat volgt vallen de namen van op zijn minst vier Rockefeller's die wel op één of andere manier een appeltje te schillen hadden met Kennedy: Nelson Rockefeller, David Rockefeller, Laurance Rockefeller en John D. Rockefeller III. 

Kennedy's opvattingen stonden immers lijnrecht tegenover deze van de Rockefeller's. Zodra hij president was werd hij dan ook onmiddellijk aangevallen vanuit die hoek. Met het eerste conflict, dat tussen de president en U.S. Steel, werden de messen meteen geslepen. De aanval op Kennedy werd onder andere ingezet door Fortune. Fortune behoorde tot het mediarijk van Henry Luce. Luce was onder andere lid van het geheime genootschap Skull & Bones en kon op diverse manier gelinkt worden aan Rockefeller.

Ook Life - een andere tijdschrijft van Luce - sloot zich bij de kritiek op Kennedy aan. In 1964 beschuldigde het Kennedy van "schokkende" economische voorstellen waarbij het zelfs openlijk refereerde aan de tegengestelde opvattingen van Nelson Rockefeller. Life kantte zich ook tegen de voornemens van Kennedy om zich te onthouden van bijkomende interventies in Vietnam.

Time - het derde tijdschrijft in het Luce-imperium - deed ook mee aan de beschadiging van het presidentschap van Kennedy, net als de Wall Street Journal. Zowel Time als de WSJ hadden directe banden met de Rockefellers.

Terwijl de media Kennedy van buiten uit aanvielen, was er ook van binnen in de administratie oppositie, met name van David Rockefeller.

David Rockefeller was op dat moment de voorzitter van Chase Manhatten alsook vice-voorzitter van de Council on Foreign Relations, een adviesorgaan in het hart van het Amerikaans imperium, mede gesticht door de Rockefellers. In de loop van 1962 schreef David Rockefeller een aantal brieven aan Kennedy waarin hij kritisch was voor het economisch en vooral buitenlands beleid van de Kennedy-regering. Deze uitwisseling van brieven werd door Life gepubliceerd in juli van dat jaar. Rockefeller had met Douglas Dillon - directeur bij Chase Manhatten - een nauwe bondgenoot binnen de administratie. Ook de centrale bank FED had nauwe connecties met Rockefeller.

De beslissingen om de Bay of Pigs door te laten gaan alsook om verder te interveniëren in Laos - beslissingen die niet naar de zin waren van Kennedy - werden overigens genomen door een groep van mensen binnen de Kennedy-regering, die ook al banden hadden met de Rockefellers; De namen die hier vallen zijn deze van: Dean Rusk, Douglas Dillon, Allen Dulles, McGeorge Bundy en A.A. Berle. McGeorge Bundy's broer, William Bundy, speelt ook een opvallende rol in het conflict tussen JFK en de Rockefeller's, waarover later meer.

De strijd tussen Kennedy en de Rockefellers ging echter veel dieper dan enkel meningsverschillen over het economisch en buitenlands beleid. In wat volgt zullen we proberen aan te tonen dat de Rockefeller's grote ambities hebben, niet zomaar alleen met de Verenigde Staten maar met de hele wereld. Dat die ambities niet gespeend zijn van eigenbelang mogen duidelijk zijn. Wat ook duidelijk is, is dat met de moord van Kennedy een belangrijk obstakel tegen de verwezenlijking van die ambities uit de weg werd geruimd.

Onder de Kennedy-jaren stak met name en nieuwe versie van het Malthusianisme de kop op. Het neo-malthusianisme evolueerde van een simpele kritiek op een onhoudbare bevolkingsgroei tot een veelgeschakeerde kritiek op industrialisering en economische groei. Volgens de neo-malthusianen was het probleem één van schaarste aan grondstoffen en andere hulpbronnen, als de industrialisering en de bevolkingsgroei onbeperkt zou blijven doorgaan. Ook het milieu zou daar aan ten onder gaan. Er moesten dus beperkingen komen op de industrialisering en op de groei van de bevolking en uiteindelijk zou de droom van eeuwige economische groei verlaten moeten worden en vervangen worden door een nulgroei.

Natuurbehoud werd het nieuwe modewoord. Allerlei organisaties en commissies werden uit de grond gestampt zoals de ORRRC (Outdoor Recreation Resources Review Commission) en het Aspen Institute. De traditionele natuurbeweging radicaliseerde. En steevast duikt de naam van Rockefeller op, zoals uiteengezet in dit belangrijk boek van Donald Gibson.

De ORRRC bijvoorbeeld was een pure Rockefeller-creatie. Opgericht onder Eisenhower en onder voorzitterschap van Laurance Rockefeller (eveneens de drijvende kracht achter de American Conservation Association) publiceerde de commissie een rapport waarin werd gepleit voor beperking van de economische groei. In dat rapport werden fabrieken zelfs omschreven als "dark satanic mills". Kennedy verwierp echter de aanbevelingen in het rapport en ging voluit voor economische groei, industrialisering en de ontwikkeling van nieuwe bronnen van water en energie. Kennedy was immers een modernist en vooruitgangs-optimist. Hij geloofde niet dat hulpbronnen van nature schaars zijn maar dat ze ontwikkeld kunnen worden via technologische innovatie. Dankzij technologische vernieuwingen bvb. kon de energieproductie gelijke tred houden met de bevolkings- en economische groei en konden de prijzen van energie zelfs dalen.

Kennedy's visie stond dan ook haaks op deze van de natuurbeweging, zeker wanneer deze natuurbeweging onder invloed van de Rockefellers, een verdere anti-modernistische radicalisering onderging. De betrokkenheid van de Rockefellers bij diverse natuurbehoud groeperingen dateerde reeds van het begin van de twintigste eeuw. Het waren ook de Rockefellers die de "strijd" voor het natuurbehoud koppelden aan een ander doel van de neo-malthusianen nl. het afschilderen van bevolkingsgroei als de oorzaak van armoede en onderontwikkeling.

Het thema van bevolkingsreductie ("population control") om de planeet van de ondergang te redden, brengt ons bij een vierde telg van de Rockeller-dynastie met name de kleinzoon van de patriarch: John D. Rockefeller III.  John D. III was de oprichter en dominante figuur in de Population Council. Deze Council had de opdracht op zich genomen om beleidsvoorstellen te formuleren met het oog op het reduceren van de bevolkingsgroei in ontwikkelingslanden. Verschillende bankiers - waaronder John J. McCloy en William Draper van Dillon, Read en Co. - waren hierbij betrokken. Als vrij snel begin de Population Council met het publiceren van advertenties en pamfletten om maatregelen ter controle van de bevolking te promoten.

De term "bevolkingsexplosie" of in het Engels "population bomb", een term die later de titel werd van het beruchte boek van Paul Ehrlich, een boek wiens aanbevelingen volgens de schrijver Charles Mann de oorzaak is geweest van een golf van repressie over de hele wereld (de "population control"-ideologie blijkt inderdaad heel wat autoritaire kenmerken te hebben, zoals later nog duidelijk zal worden), werd dus eigenlijk onder de publieke aandacht gebracht door de Rockefellers (dat de Rockefeller's ook betrokken waren bij de eugenistische beweging zal daar wellicht wel iets mee te maken hebben).

De combinatie van natuurbehoud en bevolkingscontrole was eveneens een belangrijke doelstelling van het Aspen Instituut. Opnieuw een organisatie met banden met het Rockefeller-imperium. Robert O. Andersen, de voorzitter van het Instituut tussen 1958 en 1963, was immers ook voorzitter van een onderaanneming van Standard Oil. Ook de latere voorzitter Joseph E. Slater had banden met een onderaanneming van Standard Oil. Slater, die nog voor Kennedy had gewerkt, maar omwille van frustaties met de president ontslag had genomen, was later samen met Anderson de drijvende kracht achter de eerste Earth Day.

Al dat gepraat over natuurbehoud en bevolkingscontrole kon Kennedy gestolen worden echter. Hij verwierp de stelling (terecht overigens!) dat bevolkingroei de oorzaak was van armoede en onderontwikkeling. Hij was een tegenstander van de neo-malthusiaanse ideeën gepromoot door de Rockefellers. Hij kantte zich tegen abortus als een manier om aan geboortebeperking te doen, kon zich niet vinden in het "opleggen" van maatregelen ter reducering van de bevolking aan ontwikkelingslanden (omdat dit volgens hem net hun ontwikkeling zou tegenhouden - eveneens een terechte stelling) en toonde zich voorstander van hoge economische groei en industrialisering.

Dat veranderde allemaal echter toen Kennedy werd vermoord en Lyndon Johnson het roer overnam. Het onder controle houden van de bevolkingsgroei werd nu plots wel een officiële doelstelling van het Amerikaanse beleid. Onder Johnson kregen economische groei en menselijke reproductie plots een slechte naam, in overeenstemming met de "filosofie" van de Rockefeller's en van de milieubeweging. Johnson benoemde Laurance Rockefeller zelfs tot voorziter van de White House Conference on Natural Beauty.

De lange termijn gevolgen van deze shift in het Amerikaanse beleid zijn tot op vandaag te voelen.

Vooraleer daar op door te gaan, moeten we echter nog deze vraag stellen: waarom zouden de oliemaatschappijen en dus de Rockefeller's belang hebben bij zoiets als natuurbehoud? Het valt toch moeilijk voor te stellen dat deze van oorsprong olieboeren nu plots vanuit hun eigen goedheid belangstelling begonnen te hebben voor de natuur?

Voor het antwoord op deze vraag moeten we terug naar Achnacarry Agreement van 1928. Deze overeenkomst kwam na een tijdperk van prijsoorlogen tussen Westerse oliemaatschappijen en installeerde een de factor oliekartel tussen deze ondernemingen. Het resultaat was prijsfixing en akkoorden ter beperking van productie. Deze werden dan vervolgens gepresenteerd alsof dit in het belang van het natuurbehoud zou zijn.

Of de overeenkomst van 1928 echt een verschil heeft gemaakt, kan betwijfeld worden. Maar de intentie ervan was duidelijk: het opdrijven van de prijs via kunstmatige restricties op de productie in naam van het milieu. Vanaf de jaren dertig werd die intentie dan ook in de praktijk gebracht. Onder andere in Irak werd de olieproductie onderdrukt. Aan deze tactiek dreigde in de jaren zeventig echter een einde te komen onder meer omdat Libië de productie wou opdrijven via overeenkomsten met onafhankelijke oliemaatschappijen. De V.S. stuurde daarom Rockefeller-bankier John J. McCloy naar Libië om dat land onder druk te zetten (met weinig succes overigens).

Als het met onderlinge overeenkomsten of via politieke druk niet lukt, kan er echter nog altijd een crisis gecreëerd worden: ziedaar de oliecrisis van 1973-1974 met de Arabische olie-embargo die volgde op de Jom Kipoeroorlog van oktober 1973. De olieprijs steeg toen onmiddellijk met 70% terwijl verdere prijsstijgingen zich voordeden als gevolg van de vermindering van de olieproductie met 5% per maand door de OPEC-landen.

Dat is althans het officiële verhaal. In de praktijk waren de rechtstreekse gevolgen van de maatregelen van de OPEC-landen zeer beperkt. Hun productie ging in de jaren 73 en 74 eigenlijk niet naar omlaag en de distributie van olie bleef hoe dan ook in handen van de oliemaatschappijen. Zonder hun medewerking kon het OPEC-embargo niet werken. Uiteindelijk was de olieschaarste het gevolg van de machinaties van de oliemaatschappijen en niet van de OPEC-landen, die evengoed slachtoffers waren.

Terwijl de Westerse economie zwaar ten onder ging profiteerden de oliemaatschappijen zelf volop. Zij, niet OPEC, noch het Westen waren de grote winnaars van de oliecrisis.

Naast de oliemaatschappijen was er nog een andere winnaar echter: de bankiers. De inkomsten die de OPEC-landen verwierven kwamen immers in grote mate (ongeveer drie vierde) terug bij Westerse banken terecht. Banken zoals Rockefeller-bank Chase Manhattan. Dat geld werd vervolgens opnieuw uitgeleend tegen almaar hoge rentevoeten aan derde wereld landen (de hoge interesten waren voornamelijk het gevolg van het restrictieve beleid van de FED onder Paul Volcker, die eerder nog twee termijnen had gewerkt voor ...Chase Manhattan.)

p
Paul Volcker en David Rockefeller. Zijn hoge rente politiek legde Rockefeller geen windeieren.

In feite waren de banken, zoals Chase Manhattan (Rockefeller) en Citibank (Morgan), de werkelijke eigenaars van de oliemaatschappijen, vergelijkbaar met de situatie nu waarbij zowat alle grote farmaceutische bedrijven in handen zijn van een klein aantal investeringsmaatschappijen zoals Blackrock en Vanguard.

In het licht van dit alles krijgt Jimmy Carter's waarschuwing inzake een opkomende olieschaarste en pleidooi voor verregaande conservatie een andere betekenis. Carter's speech werd eerst gezien als een kritiek op de oliemaatschappijen, maar het speelde natuurlijk integendeel net in hun kaart. Olieschaarste betekent immers hogere prijzen en meer winst. Carter had niet voor niets sterke banden met Rockefeller (wat hem later in de Iran-crisis overigens duur te staan kwam). Zijn speech werd bovendien ondersteund door een 30-tal leiders van grote banken en ondernemingen, waaronder David Rockefeller.

Het is belangrijk te benadrukken dat er gedurende deze periode helemaal geen olietekort was. Er was zelfs eigenlijk een overschot als gevolg van een daling van de consumptie (omdat de economie het zwaar te verduren had gekregen) en de ontwikkeling van nieuwe olievelden in Alaska, Mexico en de Noordzee. Een nieuwe crisis was dan ook nodig om het idee van schaarste verder verkocht te krijgen: ziedaar de basis voor het omverwerpen van de Shah in Iran, wiens houdbaarheidsdatum voor de oliemaatschappijen overschreden was.

De Shah bleek eind jaren zeventig immers een te onafhankelijke koers te varen. Hoewel een brutale dictator, was de Shah ook werkelijk geïnteresseerd in de modernisering van Iran. Het opdrijven van de olieproductie was daar een middel toe. Maar dat was uiteraard niet naar de zin van de oliemaatschappijen en de Rockellers die hun vroegere vriend nu lieten vallen ten voordele van de radicale Shiiten van Ayatollah Khomeini.

De stijgende olieprijzen als gevolg van de kunstmatig gecreëerde schaarste door de oliemaatschappijen, zorgde voor een sterke beperking van de economische groei van de ontwikkelingslanden, zoals opgemerkt door niemand minder dan David Rockefeller zelf. De stijgende rentevoeten maakte deze situatie nog erger en zadelde de ontwikkelingslanden met een onbetaalbare schuldenberg op. Op die manier creëerde de Rockefeller-dynastie (niet alleen natuurlijk, maar met hun handlangers onder andere steenrijke families) zelf datgene wat ze dan vervolgens toeschreven aan de overbevolking: armoede en onderontwikkeling in de derde wereld (om er ondertussen nog een aardige cent aan te verdienen ook).

En hiermee is de cirkel rond. De betrokkenheid van de Rockefeller's bij de natuurbeweging en bij de neo-malthusianen was een pure vorm van eigenbelang. Maar spijtig genoeg bleek na de dood van Kennedy er niet langer meer een rem te staan op de machtswellust van de Rockefeller's en hun kornuiten.

De negatieve kijk ten aanzien van economische groei, industrialisering en bevolkingsgroei kreeg met de oliecrisis(sen) - door de Rockefeller's dus zelf gecreëerd - een nieuwe impuls. Intussen werd hun betrokkenheid bij de natuurbeweging en het milieubewustzijn alsmaar dieper en intenser:

1) In 1977 publiceerde het Rockefeller Brothers Fund - onder voorzitterschap van Laurance Rockefeller - het rapport The Unfinished Agenda. Het rapport (later uitgegeven in boekvorm) pleitte voor een einde aan de bevolkingsgroei en aan het geven van een even grote prioriteit aan natuurbescherming dan aan het verhogen van de levensstandaard. Om de bevolkingsgroei te beperken en zelfs tot een krimp over te gaan, moest het publiek via "opvoeding" overtuigd worden van deze doelstelling (een politiek die later in Taiwan in de praktijk werd gebracht, tot grote tevredenheid van bevolkingsreductiegoeroe Etienne Vermeersch). Maar ook "hardere" maatregelen werden voorgesteld zoals contraceptie, abortus en sterilisatie (ondanks de negatieve ervaringen hiermee in het verleden). Ontwikkelingshulp diende volledig afhankelijk te worden gemaakt van een ambitie om de bevolkingsgroei tot nul te reduceren (ook al iets wat Etienne Vermeersch als muziek in de oren geklonken zal hebben).

Het rapport pleitte overigens ook voor de volledige eliminatie van kernenergie (waar Kennedy een warm voorstander van was). Dat zoiets de energieschaarste verder zou bevorderen en dus toevallig zeer in het belang zou zijn van de Rockefeller's en de oliemaatschappijen werd uiteraard onder de mat geveegd.

2) Een belangrijke bijdrage aan het rapport was afkomstig van Amory Lovins, een milieuactivist, die in hetzelfde jaar zijn eigen boek Soft Energy Paths publiceerde. Delen van het boek waren eerder reeds gepubliceerd in Foreign Affairs, het tijdschrift van de Council on Foreign Relations, een Rockefeller creatie. De man die sterk betrokken was bij het gepubliceerd gedeelte was William Bundy, broer dus van McGeorge Bundy, Nationaal Veiligheidsadiveseur van Kennedy en Johnson en hardliner inzake de oorlog in Vietnam. Lovins is ioverigens de oprichter van Friends of the Earth.

3) De connecties met de al eerder genoemde Paul Ehrlich, auteur van The Population Bomb, lopen voornamelijk via David Brower, mede-auteur van het boek. David Brower maakte deel uit van de werkgroep achter het Rockefeller-rapport van 1977 en was de baas van Armory Lovins bij Friends of the Earth. In dat boek ging Ehrlich wel heel ver in zijn wens om tot een drastische reductie van de bevolking te komen.

4) Na Paul Ehrlich komt nog een hele lijst namen van "intellectuelen" die de mensheid in feite de rug toekeren. E.F. Schumacher, de Club van Rome, Garrett Hardin, Richard Falk en Robert Heilbroner zijn maar enkele voorbeelden. Allen pleitten ze voor maatregelen om de bevolking te reduceren, om economische groei en industrialisering een halt toe te brengen, en om natuurbehoud voorrang te geven boven een betere levenstandaard (wat volgens Ehrlich toch een hopeloze zaak was). De Club Van Rome ging zelfs zover om de mens als een kanker te bestempelen, een mentaliteit van dit soort mensen die  onuitroeibaar blijkt te zijn, getuige dit interview met Marion Koopmans, een virologe die een belangrijke rol speelt in de strijd tegen covid in Nederland.

Al deze zogenaamde intellectuelen zeggen overigens zonder dralen dat we in ons streven om de planeet te redden niet alleen onze welvaart maar ook onze vrijheden zullen moeten opgegeven en dat de democratie best opgeschort wordt. Dat het neomalthusianisme een op zijn minst autoritaire maar mogelijk zelfs totalitaire ideologie is, hoeft dankzij deze intellectuelen geen verder betoog.

5) Meer recent is er het voorbeeld van Peter G. Peterson, oprichter en lange tijd voorzitter van de Blackstone Group, een machtige investeringsbank, alsook voorzitter van de Council on Foreign Relations (en in die hoedanigheid opvolger van David Rockefeller) tussen 1985 en 2007! (Investerings)bankiers hebben iets met buitenlandse zaken blijkbaar.

Volgens Peterson waren de problemen van de jaren zeventig en tachtig niet het gevolg van de oliecrisissen, van de hoge rentevoeten of van de machinaties van bankiers en oliemaatschappijen maar het gevolg van het verlangen van de overgrote meerderheid van de bevolking op een beter leven.

Vooral natuurlijk door de inzet van Al Gore is strijd voor het behoud van de planeet nog een stuk urgenter geworden. Klimaatverandering blijkt het ultieme breekijzer te zijn om nu eindelijk het milieu maar ook bevolkingsreductie bij hoogdringendheid voorrang te geven boven het verbeteren van het alledaagse leven van de mensen.

Bill Gates, die de mantel van Rockefeller overgenomen blijkt te hebben (of er misschien wel gewoon ook een pion van is) is de meest uitgesproken proponent hiervan. Zo is de familie-Gates nauw betrokken bij Planned Parenthood, een organisatie die overal in de Verenigde Staten (maar vooral in de buurt van zwarte bevolkingsgroepen), de mogelijkheid tot abortus aanbiedt.

Uiteindelijk komt het hier op neer: de wereld wordt geregeerd door een kleine groep multimiljardairs die via ondernemingen, overheden en stichtingen buitensporig veel macht hebben verzameld. De Bill and Melinda Gates Foundation bvb. is de tweede belangrijkste financier van de WHO. De BMGF financiert ook rechtstreeks en onrechtstreeks de vaccinproducenten (niet met het doel om menslevens te redden overigens, maar om aan de vaccins mooi te verdienen). Dat dit eigenlijk een gigantisch belangenconflict betekent, ontgaat de media en onze regeerders echter volledig.

Net zoals de Rockefeller's geven deze multimiljardairs geen zier om de mensen. Ze zijn enkel geïnteresseerd in zichzelf en hoe ze zich kunnen verrijken. De Rockefeller's hebben hun voorgedaan hoe ze dat best doen. Bill Gates lijkt in deze de beste leerling te zijn. Maar terwijl de Rockefeller's (althans voor even) nog een te duchten tegenstander hadden in John F. Kennedy; lijkt er voor Gates helemaal geen tegenstand meer te zijn. Zelfs zijn absurde klimaatplannen lijken nu stilaan werkelijkheid te worden, al is het laatste woord blijkbaar nog niet gezegd.

De hele schuld voor deze situatie ligt echter niet bij hen zelf. De ware schuldige is de huidige intellectuele klasse: de opvolgers van Paul Ehrlich, van E.F Schumacher, van de Club van Rome en van Robert Heilbroner. Intellectuelen die de mens verachten, die de mens, zoals Midas Dekkers, als een plaag of kanker zien. Van dat soort intellectuelen krijgen figuren als Bill Gates ruim baan. Want wat als die vaccins de bevolkingsgroei tot staan brengt? Dat is toch een goede zaak, want minder mensen, betekent goed nieuws voor het "klimaat".

b
William Gates, vader van Bill, samen met David Rockefeller.

Dat is voor mij de betekenis van de moord op Kennedy. Of Nelson Rockefeller de opdracht gegeven heeft tot de moord of niet, maakt eigenlijk niet zo veel uit. Dat er geen nieuwe Kennedy lijkt op te staan (al hebben we wel Robert Kennedy Jr. maar die heeft geen macht) die in staat is om de nieuwe "powers that be" op zijn minst uit te dagen, is veel relevanter.

En zo lijkt de mensheid op weg naar zijn eigen ondergang...